Verhaal Mevrouw Koper-Adrichem

 

 

Gesprek met Mevrouw Koper- Adrichem

 

Agatha Adrichem is geboren in Heemskerk, op 27-07-1927.

Haar vader had een smederij in de Maerten van Heemskerckstraat.

Agatha is een van de zeven kinderen, zij is de een na jongste.

 

Hoe hebt u de oorlog meegemaakt?

“In de beginjaren was het vrij rustig in Heemskerk, waarschijnlijk omdat het een dorp is, wij konden

gewoon naar school. Alleen naar de Jozef (jongens school), want er zaten Duitse soldaten in de Maria

school. Daardoor moesten wij, meisjes, ’s morgens naar school en ’s middags de jongens.

Er waren in Kasteel Marquette en in de boerderij bij Guus Seignette ook Duitsers ingekwartierd.”

In de stallen stonden de Duitse paarden.

Op een gegeven moment eisten de Duitsers de smederij op, mijn vader mocht er wel blijven werken,

aan de ene kant mijn vader en aan de andere kant de Duitsers. Een van de Duitsers was ook smid van beroep, als hij ’s morgens kwam, bracht hij een emmertje melk en een stuk Kuch voor ons mee.”

“Er waren ook veel Italianen, zij waren krijgsgevangenen, zij moesten overal de paarden ophalen en naar onze smederij brengen, wij mochten van mijn ouders niet met deze mannen praten, bang dat wij onze mond voorbij zouden praten en iets verkeerds zouden zeggen.”

“Het was wel een spannende tijd, er was een Duitse soldaat die op een dag zijn geweer bij het vuur in de smederij had laten staan. Hij kwam doodsbang terug en vroeg om zijn geweer dat nog gewoon in de hoek van de smederij stond! Hij was zo blij dat hij zijn wapen weer had en hij vertelde dat wanneer hij zonder geweer terug zou komen, hij doodgeschoten zou worden.”

Agatha ging na de lagere school naar een naai school. Dat kwam goed van pas want van oude kleding werd weer nieuwe kleding gemaakt door de stof te keren. Er werd zelfs kleding van de vlag gemaakt!

“Van het blauwe stuk van de vlag werden de werkpakken versteld, van het witte stuk werden onderbroekjes gemaakt. We hadden meelzakjes, daar maakten we sloffen van. Eerst sokken breien, daaroverheen de meelzaksloffen, zoals de klompsokken van tegenwoordig.

“In de smederij kregen de paarden nieuwe hoeven. De bewoners van Heemskerk moesten ook hun paarden inleveren. Han Koper, die later mijn man werd, schoor de knieën van die paarden kaal en dus waren deze paarden zogenaamd niet sterk. Vader zei: “ Ze zakken steeds door hun hoeven, kijk maar naar de knieën!”

Dat betekende dat de paarden niet waardevol waren voor de Duitsers en dat de paarden weer terug gebracht werden naar waar ze vandaan kwamen!

Onze fietsen en de radio’s moesten ook ingeleverd worden, maar de broers van mevrouw Koper

hadden een radio verstopt in een kastje op de zolder. Elke middag om 1 uur gingen zij naar boven en luisterden naar Radio Oranje. Agatha wist dat niet, de broers waren bang dat zij haar mond per ongeluk voorbij zou praten, omdat zij nog erg jong was!

Agatha  bracht wel brieven rond die zij van de Ondergrondse kreeg. Daar hoorde ook Kapelaan Huyboom bij. Zij moest die brieven naar de directeur van het Arbeidsbureau brengen.

Door de mannen van de Ondergrondse werden de bonkaarten gestolen voor de onderduikers. In de avond werden de bonnen naar een zaal van Café Dam gebracht, de volgende dag kwamen de mensen de bonkaarten voor hun gezin  ophalen. “Ik mocht zogenaamd niks weten, maar begreep wel dat er iets aan de hand was, vragen stellen was er niet bij! Als er wat werd besproken, werd je de kamer uitgestuurd, want: kleine potjes hebben grote oren! “ 

In de garage van Meijer was een opslag van de Duitsers, daar werd door de Ondergrondse wel zo nu en dan wat uitgehaald. Achter ons huis werden koeien en varkens geslacht, er kwam dan altijd een politieman kijken, of alles wel goed ging, maar even later ging hij met een pakje vlees achterop zijn fiets weer weg!

Was U bang? “Nou ik niet, maar ik denk mijn ouders wel, er werden represailles genomen, er werden huizen opgeblazen, wij hebben ook nog op het Hofland  gezeten, we moesten ook het dorp uit, maar toen ook daar werden huizen opgeblazen, moesten wij weer terug naar ons oude huis.

Het was er erg gevaarlijk, er werd geschoten. Mijn oudste broer Jan, was daar als brandweerman bij aanwezig en kreeg een flinke metalen scherf in zijn been.

Aan het einde van de oorlog in 1944, de Hongerwinter, kwam er een gaarkeuken, vooral veel kinderen hadden honger. Sommige kinderen kwamen op school met een broodje, daar zat als beleg een snijboon tussen. In het gebouw van de KSA was de gaarkeuken en een kinderkeuken. Tussen de middag kregen de kinderen van arme gezinnen allemaal een warme maaltijd in dat gebouw. Zondags was er alleen pap, maar dat was heel lekker!  Ik kan me nu nog de smaak en de lucht herinneren! “

Aan het eind van 1944 werd veel honger en kou geleden, ook vader Adrichem ging naar de Noord om eten te halen, daar kwam hij terug met alleen rode kool. Op de terugweg heeft hij nog bij een collega smid in Heiloo, de nacht doorgebracht.

Vader had een ruilmiddel, carbid voor de smederij, een keer ruilde hij een kilo carbid voor een paar mooie schoenen voor een van de jongens. Vader had ook garagezeep, ook dat kon hij bij de boeren in de polder ruilen voor tarwe dus dan konden wij weer brood bakken.”

Hoe hebt u de bevrijding ervaren?

“Wij zijn op de Rijksstraatweg gaan kijken naar het vertrek van de Duitsers, zij waren erg moe, sommigen liepen met een oude kinderwagen waar hun spullen in lagen. Op de Rijksstraatweg is ook nog iets ergs gebeurd, de Duitsers marcheerden daar, er is waarschijnlijk iets gegooid, daar werden de officieren zo boos om, dat zij een vader en een dochter met haar man uit hun huis haalden en zo neergeknald hadden! De Duitsers moesten naar Den Helder lopen.

Later gingen we naar het dorp. De meiden die opgepakt waren werden naar het oude gemeentehuis  gebracht. De hoofden werden met een schapenschaar kaal geschoren, dan werd er menie over de hoofden gesmeerd en daarna werden de kale hoofden bedekt met kippenveren! Mijn zus en ik gingen kijken, we vonden het verschrikkelijk en zijn meteen weggegaan.

Achteraf hoorden we dat in het gezin van een van de kaalgeschoren meisjes, er een Jodenkindje in hun huis was opgenomen. De reden dat de dochter met de Duitsers contact had, was waarschijnlijk omdat zij dan eten meekreeg voor haar familie. Het was een barre en vaak spannende tijd, gelukkig is mijn familie de oorlog redelijk goed doorgekomen.